Samenvatting hoofdstuk 3 : Werkvormen en technieken ( HB Zeppelin)
Wat is een werkvorm?
De wijze waarop of de techniek waarmee lln zich uitdrukken.
Beschrijven hoe je ideeën, ervaringen of verbeelding kan vormgeven.
Je kunt door combinatie van twee werkvormen een nieuwe werkvorm bedenken (improvisatie met poppen, een affiche voordragen…) of een werkvorm uit een ander domein vertalen (een geluidsdecor in muziek, verschillende geluiden door elkaar wordt een decor in drama, allerlei personages die door elkaar iets vertellen…)
Leeftijden?
Niet alle werkvormen zijn bruikbaar voor elke leeftijdsgroep.
Sommige werkvormen zoals improvisatie, clownerie richten zich meer tot oudere lln, andere werkvormen zoals dansverhaal, lkr in rol… richten zich dan meer tot jongere lln.
Hoe gespecialiseerder een werkvorm is, hoe moeilijker het is om die met jonge lln uit te voeren. Soms heb je verfijnde motoriek nodig, kennis van materialen, een langere concentratie en dat is vaak bij jongere lln niet aanwezig.
Andere werkvormen die veel beroep doen op fantasie en erg eenvoudig zijn, passen dan beter bij jongere lln.
Technisch?
Vragen vaak een specifieke aanpak.
De werkvorm demonstreren, het materiaal laten zien en de lln de kans geven om zich de techniek eigen te maken a.d.h.v. enkele experimenteeropdrachten.
Demonstratie: goed voorbereiden ---------- organisatorisch (waar staan de lln?, waar plaats ik mijn materiaal?...) en inhoudelijk (welke stap zet ik eerst?, hoe maak ik het aanschouwelijk?...)
Variatie in werkvormen.
UITDAGING: Door een brede waaier aan werkvormen aan te bieden, kun je gemakkelijker aansluiting vinden bij de manier waarop leerlingen zich graag uitdrukken. Anderzijds breid je het palet aan mogelijkheden uit waarmee de lln hun ideeën kunnen vormgeven.
A. Werkvormen beeld:
Kunnen vormgeven met technieken en materialen geen doel op zich.
Rijkt de lln tools aan om zich genuanceerd uit te drukken.
Hierbij is ook het proces belangrijk en niet zozeer het product. De wijze waarop je lln met technieken in aanraking brengt, de didactiek die je hanteert, is belangrijk. Een waardevolle muzische les is dus meer dan een (technisch) trucje aanleren: er moet zich een bepaald beeldend probleem voordoen en ruimte zijn voor eigen inbreng.
1 werken op een plat vlak (2D)
alle teken- en schildertechnieken
het werken met diverse andere materialen om vlak te verwerken op een plat vlak.
1.2. Tekenen
Tekenen naar waarneming: Kijken, zien en waarnemen waarbij het gaat om de dialoog met wat je werkelijk waarneemt
Functioneel tekenen of ontwerpen: Tekenen in functie van een uit te werken idee; eventueel aangevuld met aanwijzingen over de uitvoering.
Fantasietekenen Via rijk geïllustreerde en prikkelende opdrachten komen tot een verbeelding naar eigen fantasie, emotie en gedachten
1.2.1 Potlood
Potloden bestaan er in verschillende hardhed3 en.
H: hard
B: zacht
10H is het hardste potlood en 8B is het zachtste Een middelmatig potlood (2B) is voor (jonge) kinderen heel geschikt om mee te schetsen. Een HB-potlood is prettig voor scherper, precies werk.
1.2.3. Kleurpotlood
Bestaan in verschillende diktes. Dikkere potloden/ gemakkelijker vast te houden en liggen dus beter in de kinderhand.
Er zijn ook kleurpotloden die je kunt mengen met water. Met een nat penseel over de lijnen en de vlakken gaan, geeft een schilderachtig effect.
Variatie kun je ook eens werken op zwart of donker gekleurd papier. De kinderen gaan automatisch met het kleurpotlood steviger gaan werken omdat dit een beter effect geeft op een donkere achtergrond. Een blad papier onder de tekenhand voorkomt dat de tekening wordt uitgeveegd of dat er vieze vlekken ontstaan.
1.2.4. Viltstiften
* Watervaste, permanente stiften, geschikt om op glas, metaal en kunststof te schrijven. Je kunt ze gebruiken met kinderen, maar dan wel voor een korte afgelijnde opdracht in kleine groepjes.
*Wateroplosbare viltstiften geschikt om mee te kleuren op papier of karton.
1.2.5. Balpen
Oudere kinderen kunnen met balpen tekeken. Een balpen volgt gewillig en soepel de schrijvende hand. Je kunt er ritmische lijnen en lussen mee tekenen en door harder te drukken wordt de lijn ook donkerder.
1.2.6.Houtskool
Harde, kantige stukken te koop en ook zachte, fijnere soorten. Houtskool bestaat ook in potloodvorm. Je werkt er best mee op groot formaat. Zorg er ook voor dat het papier is met structuur.
1.2.7. Pen en inkt
* De profielpen is geschikt voor zeer fijn werk en bijgevolg eerder in te zetten bij oudere kinderen.
* De redispen is goed om letters mee te schrijven. De lijn bij deze pen is overal even breed.
* Voor pentekenen zijn de losse kroontjespennen het meest geschikt. De pennetjes worden in een penhouder vastgeklemd
* De robuustere pen van riet of bamboe is dan weer eerder geschikt voor jonge kunstenaars die hun fantasie op papier willen zetten. Met deze duurzame pennen kunen de kindere krachtige, royale lijnen tekenen.
1.3 Kleuren
Arceren
Inkleuren
Mengen
Graffito
Kleurpotlood : vormen vlak inkleuren, eerder saai, kan een tekening ‘dood’ maken. Een tekening open arceren (witte ruimte tussen de lijntjes laten). Mogelijk om verschillende kleuren door elkaar laten spelen waardoor de tekening levendiger wordt.
Viltstift: biedt weinig mogelijkheden: mengen is moeilijk en je kan de kleuren niet zacht gebruiken. Kinderen worden er wel erg door aangetrokken, vooral dan door de intensieve, heldere kleuren. Aanbieden eens als afwisseling.
Wascokrijt en oliepastel: vettige, samenhangende krijtsoorten. Makkelijk te mengen. Heel licht arcerend op een grofkorrelig papier kun je de mengmogelijkheden van kleuren uitproberen. De kleur wordt heel anders als je stevig drukt, heel helder en puur, soms te hel en daarom gaan we mengen.
1.4 Schilderen.
Dekkend schilderen
Verdund schilderen
Nat in nat
Mengen
1.4.1Plakkaatverf
Een waterverf waarmee je dekkend, halfdekkend en extreem dun kan schilderen. De helderheid van de kleuren wordt groter naarmate je minder water gebruikt.
Halfdekkend of verdund schilderen = een techniek om met dunne, waterige verf zo te schilderen dat de onderliggende kleur of het papier nog door de verf heen schijnt.
Dekkend schilderen = zorgt ervoor dat het papier niet meer door de verf heen schijnt.
1.4.2. Acrylverf
Als je hout wil beschilderen met een weer- en waterbestendige verf dan is acrylverf de beste keuze. Laat zich makkelijk uitstrijken. Hecht goed op verschillende materialen zoals hout, steen en blik. De verf droogt op tot een watervaste film.
1.4.3.Ecoline
Transparante verf met heel intensieve kleuren. Meer gradatie te krijgen/ meer water toevoegen. Ecoline kun je geel goed combineren met wascokrijt.
1.4.4. Oost- Indische inkt
Schilderen kan uiteraard ook in één toon. Een gewassen tekening is een inkttekening waar nadien met penseel en verdunde inkt wat lichte en donkere delen in worden aangebracht.
1.4.5. Bister
Een oud pigment, reeds in de 14e eeuw gebruikt in manuschripten. Gekleurde bister is een samenstelling van bister en een wateroplosbare kleurstof om andere tinten zoals geel, blauw, groen en zwart te verkrijgen. Bister bestaat uit zwarte schilfers die perfect wateroplosbaar zijn.
1.4.6 Engobe
= kleislib.
Deze klei kun je laten opdrogen tot harde klompjes. Door het verpulveren (met een hamer, een vijl en/of ruw schuurpapier) van deze klompjes krijg je fijn poeder. Als je dit mengt met water, dan krijg je vloeibare klei waarmee je kan schilderen.
1.4.7 Textielverf
Kleuren mengen kan net zo goed als bij plakkaatverf. Er moet altijd tafelbescherming zijn!
1.5 Collage
= dingen op een ondergrond plakken, zoals bijvoorbeeld verschillende soorten papier, karton, textiel en draad.
Vele materialen kun je zowel scheuren als knippen. De resultaten van scheurwerk zijn spontaner en directer dan van knipwerk. Knipvormen daarentegen geven een strakke vorm.
Een aantal lijmsoorten komen in aanmerking voor collage:
Gewone knutsellijm op waterbasis het meest geschikt voor licht werk
Boekbinderslijm is een elastische wateroplosbare lijm die doorschijnend opdroogt en bijzonder geschikt is om zwaardere materialen te kleven zoals bv textiel of zwaar karton
Transparant papier of vliegerpapier gemakkelijk te knippen en te scheuren. Wanneer je met dit papier verschillende kleuren over elkaar legt, krijg je allerlei nieuwe tinten.
Zijdepapier (zijdevloei) Zeer dun papier dat bestaat in veel mooie kleuren. De kleuren verbleken wel door het licht.
Kalkpapier: doorschijnende papiersoort die aan de drukzijde is behandeld met een oplossing van kalk en gom. Ideaal voor schetsen en het werken met krijt en pastel.
‘oud’ papier (kranten, tijdschriften, geschenkpapier…): omwille van de kleurtinten en daarin vormen uitknippen en/of scheuren. Maar het is evengoed mogelijk om vanuit de afgedrukte vormen zelf te vertrekken.
Kraftpapier: sterke papiersoort, doorgaans lichtbruin van kleur, soms met zichtbare vezels.
Teken- en aquarelpapier: houtvrij papier. Vrij glad waardoor het slecht water opneemt. Speciaal papier dat gemaakt is om op te schilderen.
Ribkarton of golfkarton: bestaat uit één of meerdere lagen vlak papier, dat in combinatie met één of meer lagen vlak paper zijn stevigheid krijgt.
Textiel: zie verder bij textielcollage.
1.6. Druktechnieken
= verzamelnaam voor technieken die ons toelaten met één vorm meerdere resultaten te verkrijgen, je vermenigvuldigt de vorm.
Je hebt bij iedere druktechniek vier belangrijke items:
De drukvorm (waar je ontwerp op is aangebracht)
Het drukvlak (waar je uiteindelijk op zal drukken: alle soorten papier en karton, textiel, hout)
Het drukmedium (plakkaatverf, acrylverf, drukinkt op waterbasis, textielverf)
De druk (waarmee je je drukvorm zal afdrukken: drukpers, lepel, je hand…)
1.6.1. Stempeldruk met aardappel, isemo, kurk, rubber, touw, gom
Stempelen=een regelmatige herhaling van hetzelfde drukpatroon.
1.6.2 Sjabloondruk met sjablonen in karton, mika of zelfklevend plastic
Uit een stevig karton knip je een vorm. Voor jonge kinderen is dit moeilijk. Je kunt dit oplossen door het karton dubbel te vouwen en vanaf de vouwnaad te knippen.
1.6.3 Monotype op glas, plexi of mika
Een eenmalige afdruk. Je smeert of rolt op een glasplaat een dunne laag inkt uit. Je legt een blad papier op de inktlaag en tekent op dit vel zonder je hand op het blad te laten rusten.
1.6.4 Kartondruk met verschillende kartonsoorten.
Knip vormen uit verschillende soorten karton, plak ze over elkaar heen, overlappend dus. Rol ze na droging in met een kleur, vel erop en stevig wrijven met je hand. Door de verschillen in diepte zal je witte lijnen zien.
1.6.5 Linosnede in linoleumplaat
Eerder geschikt voor oudere lln. Een spel tussen vereenvoudigde lijnen en vlakken die uiteindelijk ook in spiegelbeeld worden afgedrukt.
1.6.6 Frottage of rubing
+ wrijfprenten. Leg een vel papier over een putdeksel, een muur, een inscriptie op een monument, een boomschors. Ga er met een wascokrijtje overheen en je krijgt een afdruk.
1.6.7 Krassen in een plaat
Denk aan gips gieten en dan erin krassen.
1.6.8 Etsen in een plaat
Je krast in een plaat, daarna giet je er inkt in. Druk met een vel papier erover en zo wordt de inkt uit de groeven gezogen en ontstaat er een tekening op het vel papier.
1.6.9 Materiaaldruk van verschillende voorwerpen.
Je kan ook gewoon platte voorwerpen op een zelfde hoogte samenbrengen in een collage, ininkten en afdrukken.
2. Ruimtekijk werken (3D)
Alle werkvormen dom vorm te geven aan materialen. Al experimenterend zullen diverse vaardigheden en een gevarieerd gebruik van gereedschappen de revue passeren. Elk materiaal heeft zo zijn eigen mogelijkheden die we kunnen onderzoeken en verwerken.
2.1 Ruimtelijk werken met papier en karton
Karton allerhande
(stevig) papier Kraftpapier (= bruin inpakpapier)
Kranten Doosvormen
Kartonnen kokers
2.2 Boetseren
Kneden
Modelleren
Sgraffito: het is een krastechniek waarbij je van een bovenlaag iets wegkrast, of schraapt, waardoor de onderlaag zichtbaar wordt
Kleireliëf op een tegel
Opbouwen vanuit een bol
Opbouwen met rolletjes
Opbouwen vanuit kleiplaatjes
Werken op een draadgeraamte (ijzerdraad, kippengaas)
Plastiscine
Zelfhardende klei
Chamotteklei
Papierpulp
Brooddeeg
Gipsverband
2.3. Ruimtelijk werken met steen
Beeldhouwen
Mozaïek
Gipssnede
2.4. Assemblage of constructie
= samenvoeging van verschillende reeds bestaande ruimtelijke en vlakke vormen tot een reliëf of een ruimtelijk werk. Deze onderdelen worden door middel van vaste of bewegende verbindingen tot een nieuwe vorm samengebracht. Deze werkvorm kun je op twee manieren aanbrengen:
Vanuit een experiment
Vanuit een ontwerp
3 Werken met textiel.
= alle soorten materiaal die we kunnen benoemen onder textiel. Dit zijn alle soorten weefsels die ontstaan zijn uit de verschillende mogelijke vezels (plantaardige, dierlijke en synthetische).
Textiel maken
o Weven
o Knopen en spanwerk: slierachtige materialen zo om elkaar heen leggen dat er knopen
o Vilten: door rollen en wrijven tussen de handpalmen en met behulp van vochtigheid, warmte en zeepvlokken, raakt schapenwol vast en onontwarbaar in elkaar geklit
o Vlechten
Textiel bewerken
o Bedrukken
o Appliceren: dit is textiele werkvorm waarbij je vormen op een (meestal) stoffen ondergrond bevestigd door naaien of lijmen
o Afbinden en batiken
Textiel verwerken
o Textielcollage
o Textiel maché
4. Beeldspel
Spelvormen met beeldend materiaal. Barbarosse is een beeldend raadspel. De lln maken een plasticine een voorwerp. De anderen stellen vragen en raden wat er is gemaakt.
5 Beeldschouwen
Met lln gericht een beeld bekijken en bespreken. Dit kan door vraagstellen en/of door actieve kijkopdrachten.
B. Werkvormen in muziek.
1. Vocale of instrumentale muziek maken
1.1 Zingen
4 soorten liederen:
* speellied: leerkracht zingt met de leerlingen een lied waarbij spel hoort vb zakdoekje leggen
* bewegingslied: het lied nodigt uit tot bewegen vb geef dat ding eens door
* muziekleslied: lied = uitgangspunt voor activiteiten. vb zenuwlied
* luisterlied: doel is luisteren naar de muziek vb liedjes van kinderen voor kinderen
1.2. Stemvorming
verschillende oefeningen en spelletjes om controle te krijgen over stem en ademhaling
* houdings- en ontspanningsoefeningen: leerlingen staan ontspannen in een kring en op het teken spannen ze zich op. Op het volgende teken ontspannen ze zich weer. Om de keel te ontspannen kan je eens geeuwen.
* ademhalingsoefeningen: leerlingen blazen tegen een vlammetje, het vuur mag flakkeren maar niet doven. In de hete soep blazen zodat ze wat afkoelt. Ballon opblazen, laten vliegen, hard opblazen ,...
* stemplaatsoefeningen: melodie hoog en ontspannen zingen
* articulatie: een articulatiezinnetje zoals pittige peterselie peperkorrels
* resonantie: klank van een bij imiteren met de stem
1.3 (Muziek) instrumenten bespelen
Een goede klank vraagt goede muziekinstrumenten.
* lichaamspercussie
* klein slagwerk of ritme instrumenten
* partituren uitvoeren
* meerstemmig musiceren: gesprokken teksten en spreekkoren, rappen, werken met ritmekaarten, canons
2. Muziek ontwerpen
2.1 klankverhaal
2.2 Geluidsdecor of klanklandschap
2.3 improviseren : zonder voorbereiding een melodie of ritme verzinnen
2.4 Muziekstuk ontwerpen of componeren
2.5 Grafische partituren ontwerpen : bestaat uit twee delen : omzetten van geluiden naar tekens, symbolen en het ordenen van symbolen tot een geheel.
3.Muziekspel
= spelletjes rond muziek vb geluidenmemory, muziekkwartet, zoek het identieke geluid
4. Muziek beluisteren
4.1 Gewoon beluisteren
4.2 tekenen op muziek
4.3 Praten en nadenken over muziek
4.4 Muziek lezen
4.5 Bewegen op muziek
C. Werkvormen in dramatisch spel
1. Spel met materialen
* poppenspel
* schimmenspel
* maskerspel
2. Non - verbale technieken
* standbeeldentheater of tableau vivant
* clownerie
* vertelpantomime
3 Verbale werkvormen
* improvisatie
*inspringspel
* afspreekspelk of toneelspel
* werken met teksten
* leerkracht in rol
4 Dramaspel
* dwerg - reus - heks
* levende memory
* cluedo
5. Theater beschouwen
Kijken naar en praten over theater
D. Werkvormen in bewegingsexpressie / dans
1 Creatieve dans
* dansexpressie : exploreren en ontdekken van bewegingen staat centraal Via concrete opdrachten bewegingen uittesten en onderzoeken
* dansverhaal
2 Dans ontwerpen
* bewegingsreeks: gestructureerde aaneenschakeling van dansante bewegingen
3 stappen om een bewegingsreeks te creëren:
- bewegingen zoeken of verzinnen
- die bewegingen dansant maken of verfijnen
- bewegingen na elkaar plaatsen in een volgorde
Inhoud voor zo een reeks bewegingen kan komen uit ; dagelijkse handelingen, beroepen, personages, gebeurtenissen, plaatsen, acties, een verhalend gegeven ( sdprookjes, stripverhalen, filmfragmenten), dansbewegingen
Bewegingen benoemen.
* danspartituur: vijf manieren om er 1 te creëren:
- duplo - partituur : elke gekleurde blok stelt een beweging voor
- tekeningenpartituur: tekeningen of foto's in een volgorde zetten en elke tekening of foto staat voor een beweging.
- motiv - notatie: met 6 symbolen creeren de leerlingen een dans door ze in een volgorde te plaatsen
- baanpartituur: met een lijn geef je de af te leggen weg weer. Bij de lijn staan symbolen. Elke symbool staat voor een beweging
- positiepartituur: met een tekening geef je de posities weer ( kring, op een lijn, ...) De overgangen tussen de verschillende posities schrijf je op de positietekeningen.
* dansimprovisatie
3 Gestructureerde dans
Dansstijlen
Kinderdans
4 Dansspel
dansmemory - dansdomino - bewegingsdirigentje - wie hoort samen
spelvorm(en) waarin expressief bewegen centraal staat..
5 Dans beschouwen
Kijken naar en praten over dans.
E. Werkvormen in woord.
1. Gesproken werkvormen
* vertellen
*voorlezen
* luisterspel
* voordragen
* nonsenstaal
2 Geschreven werkvormen
* verhalen schrijven
* taaldrukken
* poëzie schrijven
3. Woordspel
* taalspel = spelen met de inhoud of de betekenis van woorden: associëren, verzinnen, woordspelingen maken , ..
* klankspel = spelen met klanken ,accenten, het melodische in taal
4 Poëzie of tekst beschouwen
Kijken naar en praten over taal - producten ( teksten , boeken, verhalen, poëzie, ...)
F. werkvormen in media
1. Videowerkvormen
* stop motion
* filmen met de camera
* beeld bewerken en monteren = beeldbewerking is filmbeelden veranderen en motage is beelden in een volgorde zetten
* subjectieve camera = filmen vanuit het oogpunt van een personnage of voorwerp
2. Audiowerkvormen
* audio - opnames maken
* klank bewerken en monteren = bewerken is klankfragmenten vervormen, monteren is klanken in een volgorde zetten
3. Fotografiewerkvormen
* fotograferen
* foto's bewerken en monteren
4. Mediaspel
Spelvormen met mediamateriaal. Kan via de computer of als spelvorm.
5. Media beschouwen
Kritisch kijken en luisteren naar media
Reacties
Een reactie posten