Samenvatting hoofdstuk 2: Bouwstenen (HB Zeppelin)

 Bouwstenen

Wat.

De basiselementen van de domeinen.

Vormen de grammatica van de kunst.

Nodig om diepgaand te kunnen communiceren over kunst.

Overzicht.

Beeld: Kleur, licht, ruimte, compositie, vorm, textuur, lijn

Dans: Kracht, tijd, ruimte, relatie

Drama; Scène - verloop, rol ,ruimte

Muziek: tijd, vorm, klank

Belang.

Om grondig te kunnen beschouwen

            Je kan een werk enkel bespreken als je erover kan communiceren.

- Om doelen te kunnen begrijpen.

            Eindtermen en muzische doelen in het leerplan 

- Om het muzisch leerproces inhoudelijk te kunnen begeleiden.

            Coachen/ondersteunen van het muzisch leerproces.

- Om eigen producten te kunnen maken.

            Maak zelf een voorbeeld zodat je dit kan gebruiken in de klas.

Bouwstenen van Beeld.

1. Vorm: 

1. vormsoorten : 

                * hoekig, open, fijn, sierlijk, grillig, abstract, ...

                * vormcontrasten : tegengestelde vormen ( hoekige en ronde vormen)

2. contour of omtreklijn:

                * de omtrek van een vorm

                * dik, ritmisch, elegant, fijn, wazig, ..

3. patroon:

                * 1 of meerdere vormen die op een regelmatige manier herhaald worden

4. silhouet:

                * geen diepte, lijnen of tinten , meestal een egale kleur en aangegeven door de omtrek

                * vormen in tegenlicht, figuren in schimmenspel

5. restvorm of tussenruimte

                * de vorm die men niet tekent of overblijft

6. vormen stileren: 

                * een vorm steeds abstracter en minder herkenbaar maken

                * figuratief - non figuratief- abstract

2. Kleur:

Kleurencirkel: 

                * primaire kleuren : rood, blauw en geel

                * secundaire kleuren: groen, oranje en paars

                * tertiare kleuren: geeloranje, roodoranje, roodpaars, blauwpaars, blauwgroen, geelgroen

                * complemantaire kleuren: kleuren liggen op de kleurcirkel recht tegenover elkaar,                     versterken elkaar

                * zuivere kleuren: bevatten slechts 1 of 2 hoofdkleuren

                * onzuivere kleuren: bestaan uit 3 hoofdkleuren of gemengd met wit of zwart

                * grijswaarden: zeer bleek- midden- donker, grijswaardenschaal: een volledige reeks                                grijswaarden naast elkaar

Kleurtonen of tinten:

                * kleur 1 tt zeer kleine hoeveelheid kleur 2 = variant kleur 1

                * kleur 1 tt kleine hoeveelheid kleur 2 = tertiaire kleur langs de kant van kleur 1

                * kleur 1 tt gelijke hoeveelheid kleur 2 = secundaire kleur

                 * kleur 1 tt grote hoeveelheid kleur 2 =  tertiaire kleur langs de kant van kleur 2

                 * kleur 1 tt zeer grote hoeveelheid kleur 2 = variant kleur 2

                 * kleurtoontrap: reeks kleuren die de overgang maken van de ene kleur naar de andere

Kleurverzadiging:

                * zuivere kleuren = volledig verzadigd. De laagste trap van verzadiging is wit.

                * zuivere kleur tt wit = verbleken - minder verzadigende kleur - pastelkleur

                * zuivere kleur tt zwart = verdonkeren

Pschychologische eigenschappen van kleur:

                * welk karakter geven kleur aan een merk?

Symbolische eigenschappen van kleur?

                * volgens cultuur en tradities

3. Licht.

Lichtbronnen: 

                * natuurlijke lichtbronnen: vuur, zon

                * kunstlicht: lampen, ledlicht

Soorten licht:

                * direct licht: het licht valt direct ergens op

                * indirect licht: gereflecteerd licht

Lichtrichting

                * zijlicht: licht van de zijkant van de kijker

                * tegenlicht: komt naar de kijker toe

                * meelicht: komt vanuit de kijker

                * diffuus of verspreid licht: lichtrichting is onduidelijk

                * strijklicht: licht dat langs dingen glijdt, staat bijna evenwijdig aan een         vlak

Schaduw:

                * Slagschaduw: schaduw van een mens/ voorwerp op de grond

                * gebroken schaduw: schaduw valt over meer dan  1 vlak

               * eigen schaduw: donkere kant van het voorwerp / mens zelf

                * silhouet: figuur of voorwerp in fel tegenlicht, zwart ingevulde omtrek

Sfeer:

                * combinatie van lichtbron, - soort en - richting

                * triest, zomers, verlaten, mysterieus, dramatisch, gezellig, vroeg, rustig,..

4. Lijn

Lijnsoorten:

                * ronde lijnen: sierlijk

                * rechte lijnen: geven structuur

                * dik, dun, zigzaggend, krom, recht, ...

Lijnsructuur:

                * herhalende lijnen (ritme van lijnen) - structuur vb schubben vis, arcering, dakpannen, ...

5. Ruimte

 Ruimtesuggestie in het vlek:

               De kijker de indruk geven dat er diepte is.

               * stapeling: tekenen van voorwerpen/ figuren naast elkaar

               * omklapping: verschillende aangezichten, van een tekening weergeven

               * afsnijding: een stuk van de tekening gaat buiten het blad verder

               * overlapping: enen voorwerp staat gedeeltelijk over het ander

               * perspectief: techniek met standpunten en plaatsing van de horizon

               * licht - en schaduwwerking

                * grootteverschil: voorste voorwerpen teken je groot en de achterste klein

                * detailwerking: objecten in voorgrond krijgen meer details, wazige achtergrond

6. Textuur = de weergave van de oppervlakte, de huid van iets. Verschillende materialen  = verschillende texturen.

                 * textuursuggestie of stofyuitdrukking: 3D werk: glad oppervlak in klei, stekelig oppervlak

                 *  2D werk: blinkend oppervlak tekenen, schubben schilderen

7.  Compositie:

Ordenen: de structuur die in het werk zit, wat staat waar? 

2D vlakverdeling

                * symmetrische compositie: linker- en rechterdeel zijn ongeveer gelijk    

                * asymmetrische compositie: linker en rechterdeel zijn verschillend

                * centrale compositie: voorstelling plaats je in het midden

                * diagonale compositie: objecten zijn diagonale lijn geplaatst

                * overal compositie: geen van de elementen krijgt de nadruk

Vormgevingscompositie:

                * focuspunt: een blikvanger in de compositie

8. Principes

                * ritme: verschillende vormen komen afwisselend terug in het werk

                * evenwicht: rustige, gebalanceerde compositie

                * eenheid: alle elementen vormen een harmonieus geheel

                * beweging: suggestie dat de objecten in het beeld bewegen

                * herhaling: dezelfde elementen komen regelmatig op een zelfde manier terug= patroon

                * contrast: tegenstelling tussen verschillende elementen ( kleur, vorm, ...)

9. Decoratie:

                * ornament, muur, versieringselement op de trap, ...



Bouwstenen van muziek.

1. Tijd:

                * metrum of cadans: het regelmatig terugkeren van een sterke of minder sterke beklemtoning

                   in de muziek, in maat van 2 en maat van 3 is de eerste tel het sterktst            

                * ritme; de opeenvolging van lange /korte klanken en van korte / lange rusten ( stiltes), ritme

                van een liedje kan je meeklappen

                * tempo: de snelheid waarmee een lied of klankstuk wordt gezongen / gespeeld

                *  articulatie: de manier waarop klanken of tonen met elkaar verbonden worden. Staccato =                     de noten zijn niet aan elkaar verbonden. Legato = noten zijn aan elkaar verbonden.

2. Klank:

                * melodie: een opeenvolging van klanken met een gelijke of verschillende toonhoogte

                volgens een gestructureerd patroon, de melodie kan je zingen

                * samenklank en harmonie: het samenklinken van meerdere melodieën

                * dynamiek: de schakering van klank en toonsterkte

                * timbre: de klankkleur, klankeigenschap van de stem, van geluidsbronnen of instrumenten

3. Vorm

                * vormprincipes: herhaling (hetzelfde motief geheel opnieuw spelen A A

                                            contrast: een tegenstelling met het voorgaande A B

                                            variatie: de melodie lijkt op de vorige met een kleine verandering A A'

                * compositievormen: ABA vorm: 2 gelijke stukken met contrastvorm in het midden

                                                   rondo: vorm met een refrein, ABACADA, A = refrein

                                                   canon: 2 of meer stemmen zingen of spelen dezelfde melodie, maar 

                                                   zeteen na elkaar in



Bouwstenen van drama

1. Rol (wie)

                * inleving: het zich kunnen verplaatsen in de (denk)wereld van een persoon of situatie

                * tralmsformatie: stem en lichaam kunnen aanpassen aan je personage

                * rolvastheid: een aantal kenmerken van je personage blijven volhouden

                * aandacht geven: de ruimte geven aan de andere speler

                * interactie: inspelen op het andere personage, odat communicatie kan ontstaan

                * oogcontact maken: met diegene waar je boodschap aan gericht is

               * préscence : gellofwaardig, overtuigend zijn

               * focus: de aandacht van het publiek op de juiste plaats leggen

2. Scèneverloop (wat)

               * fantaseren: het onmogelijke aanwezig brengen, nieuwe betekenissen geven aan bestaande 

                elementen of oproepen wat neit echt is

                * mimisch uitbeelden: gebruik maken van je lichaam ( zonder stem) om iets uit te drukken

                * timing: op het juiste moment spreken, reageren of een actie uitvoeren

                * spelinhoud verzinnen: je verzint iets waar mogelijkheden inzitten

                * generositeit: je in een scène kunnen verliezen, zodat de scène interessant wordt

                *  aceptatie: open en positief inspelen op je medespeler

                * scenario opbouw: structuur aanbrengen in eenscenario met een duidelijk begin, midden en

                 einde

                * spanning; theatraliteit, 'wat drama doet werken'

                * sfeer: door het spel het publiek in de juiste sfeer brengen

3.Ruimte ( waar)

                * ruimtebewustzijn: het zich bewust zijn van de speelruimte, de ruimte durven te gebruiken

                * ruimtesuggestie: met eenvoudige bewegingen, handelingen en / of materialen een locatie 

                 sugereren

                * koor: dezelfde of soortgelijke bewegingen uitvoeren, zonder overleg of leider

                * ruimteverdeling: de plaats die je inneemt tegenover elkaar, dicht bij elkaar of ver af

                * open spelen: zodanig op de scène staan zodat het publeik het spel in de beste

                omstandigheden kan volgen

               * mis - en - scène: afvragen hoe je de aandacht van het publiek op de juiste plaats kunt leggen


Bouwstenen van beweging / dans

1.Ruimte

                * ruimtelagen: hog of laag bewegen of op een niveau ertussen. Floorwork = dans met lage 

                 bewegingen

                * richtingen: voorwaarts, achterwaarts, zijwaarts, diagonaal

                * patronen: beschrijven of volgen van rechte, gebogen lijnen. Patronen maken op de vloer

                (vloerpatronen) Patronen maken in vlakken in de lucht.

                * grootevorm: je lichaam groot of klein maken, grote of kleine bewegingen uit voeren,

                statische of dynamische houdingen aannemen

                * plaats: de situering in de ruimte, vooraan op de scène, hele ruimte gebruiken, in 1 dezelfe

                vak dansen

2. Tijd

                * tempo: snelle / langzame uitvoering van een bewegingen, tempo tussen twee bewegingen

                * maat en ritme: regelmatig/ onregelmatig ritme, volgens muziek of door met bepaalde

                accenten te bewegen

                * duur: de ene beweging is lang, de andere kort

                * fraseringsvolgorde: het maken van bewegingszinnen met een begin, verloop en einde

3. Kracht

                * spierspanning: gespannen en ontspannen bewegingen, spanning op - en afbouwen

                *  gewicht ( en evenwicht): zware newegingen versus lichte, evenwicht is het zoken naar 

                tijdens een beweging

                * energie: sterk versus zwak energieverbruik

4. Relatie

                * contrast: de ene groep dansers danst anders dan de andere groep dansers. Contrast in tijd,

                kracht en ruimte.

                * synchroon bewegen: dansers maken dezelfde bewegingen op hetzelfde moment

               * inspelen op elkaar: dansers spelen in op elkaar met hun bewegingen


Bouwstenen van woord.

1. Muzikaliteit

            * ritme en tempo

            * klankgebruik = aanwenden van klanken, intonatie, melodie, ... in de tekst

            * klankbeweging = eindrijm, alliteratie, klanknabootsingen, ...


2. Emotionaliteit en waarneming

            * koppelen van woorden aan emoties, ervaringen, waarnemingen


3. Verdichting

            * alles wat te maken heeft met de woordkeuze : woordbetekenis, symboliek, beeldspraak,                     associatie, betekenissen die veranderen


4. Taalverschuiving

            * elke afwijking van bestaande en te verwachten taaluitingen in een taalkundige zin. Creëren                 van een nieuwe taal o

f woorden.

5. Woordbeeld

            * hoe het gedicht of de woordgroep eruit ziet


Bouwstenen van media.

1. Decor ( licht en geluid)

            * voor en achterplan

            * sfeer


2. Kader

            * standpunt

            * camerabeweging

            * beeldgrootte

            * beeldcompositie

            * kadrering

            * beeldbewerking


3. Montage

            * volgorde

            * ritme



            



               



Reacties

Populaire posts van deze blog

Herinneringen

Asynchrone les: opbouw van een les muzische opvoeding

Muzische grondhouding.